Dille zocht en als zij niets meer te zeggen vond, begon zij:
--Onze vader die in de hemelen zijt.
--Die in de hemelen zijt.
--Geheiligd zij uw naam.
--Ons toekome uw rijk.
--Uw wil geschiede op aarde als in den hemel.
--Geef ons heden ons dagelijksch brood.
--Geef ons heden ons dagelijksch brood.
--Nog ne keer, en luide, allemaal:
--Geef ons heden ons dagelijksch brood.
Zij herhaalde dat vijf keeren en herbegon nog vijftien keeren het
onze-Vader en 't weesgegroet.
Heur armen werden niet moe van 't beeldeken uit te steken en de kinders
ook durfden niet lossen en bleven met gevouwene handen reiken en
starling het beeldeken bezien dat als de wonderdoener, de Heilige Josef
zelf, in moeders handen stak.
't Was in middelertijd donker geworden en z'en zagen malkander maar bij
de klaarte die door de kloven van de brandende stoof uitschong. Buiten
gingen altijd benden dronken lotelingen voorbij al tierend. Ivo kwam
thuis. Hij zag zijn wijf en de jongens in kring op den vloer bij die
deemstering; hij nam de muts af en en kroop stil achter de deur in bed.
Dille bezag hem.
--Sint-Josef, nu kunnen we u geen keerse branden, w'en hebben geen geld
maar morgen koopen wij ze.
Daarmede was 't uit. De jongens zochten rond met de oogen waar of 't
brood nu ievers door de kave gevallen was en 't geld, daaraf moeder met
zulk eene zekerheid gewaagde. Maar:
--Nu allemaal naar bed, g' hebt nu warm--en zonder kriepen, dat ik
niemend en hoore! Die durft piepen moet morgen weer zonder eten
optrekken!
Stil, tegeneen gedrumd, verlegen en beangst voor moeders geheimzinnige
belofte en bedreiging, kropen zij in den grooten bak op de strooien
bedding. Dille dekte de jongens lekker toe met oude kleeren, met een
ouden mantel, die ze van haar eigen bedde nam en met de gordijnen die
aan 't venster hingen.
Geen een die roerde.
Dille zocht ook haar ruste en als ze wat gelegen had, voelde zij de
warmte uit haar lijf vergaan en medeen verloor zij ook al haren moed en
betrouwen en de nuchterheid kwam in haar ijle hoofd en de pijn in haar
ingewand. z'En geloofde niet meer aan 't geen ze daareven zelf nog zoo
vast beloofd had en zij verzonk in gedachten die donkerder waren dan de
kamer rond haar en z'en kende 't einde niet van de gruwelijke wanhoop.
Ze weende, weende stil ingehouden, heur snikken pramend door den
gesloten krop. Ivo mocht het hooren maar de jongens mochten niet weten
dat ze flauw viel en begaf in heur sterk
|